Beginnende aan de noordkant stuiten we eerst op wat Agustín de la Hoz de ‘plantaardige molens’ noemde, het palmbos van Haría. Ingebed in een vallei, ligt een groepje min of meer lage huizen die de kern vormen van deze allergroenste onder de eilandgemeenten. Het wit en de rustige stilte overheersen hier. In het centrum ligt een lang dorpsplein, waaraan de nieuwe Iglesia de la Encarnación met kerkmuseum. In dit vreedzame Haría zou César Manrique zijn laatste verblijfplaats kiezen. De naburige dorpen landinwaarts, Máguez met een koket kapelletje, Guinate met zijn vogelpark, en Ye met een mooi uitkijkpunt, bieden hun gezonde en zuivere lucht aan hen die zich verwaardigen naar deze kleine plaatsjes af te dalen. Aan de kust dienen de onontkoombare Jameos del Agua tot schuilplaats voor een in de wereld unieke soort blinde albino-krab. Dit verbazingwekkende oord herbergt ook een magnifiek auditorium en het Casa de los Volcanes, zetel van het Biosfeerreservaat.
Heel dichtbij, gesitueerd in hetzelfde lavakanaal als Los Jameos, ligt een grot, bekend als de Cueva de los Verdes, voormalige schuilplaats voor de vluchtelingen voor de slavenhandel of de pirateninvallen. Af en toe wordt deze grot, van enorme afmetingen, omgetoverd in een fantastische concertzaal. Als we de wind in ons gezicht willen voelen moeten we naar Ye voor een bezoek aan de Mirador del Río. Gesitueerd op de steile Risco de Famara overzien we vanaf hier in één blik de eilandengroep Archipiélago Chinijo. Een leuke tocht bestaat uit het oversteken van deze zogenaamde río, of rivier, vanaf Órzola, om over de zee tot Graciosa te gaan, en daar te genieten van een lekkere vismaaltijd, en dan een duik te nemen aan één van de stranden, het Playa Francesa of het indrukwekkende Playa de las Conchas, met op de achtergrond de Chinijo-archipel.