Schilder, beeldhouwer, (tuin- en landschaps) architect César Manrique werd in 1919 in Arrecife, de hoofdstad van Lanzarote, geboren. De zomers bracht hij in Caleta de Famara door, aan de westkust van het eiland, waar strand en duinen, zee en licht een onuitwisbare indruk maakten. Als jeugdige leerling liet hij zijn docenten al versteld staan door zijn ongelooflijke tekentalent. Maar het werd het klassieke verhaal: de zoon wilde wel graag gaan schilderen, maar de vader zag meer heil in gedegen beroepsonderwijs. Manrique vertrok dan ook naar Tenerife om te worden opgeleid tot bouwkundig ingenieur, maar lang hield hij het er niet vol. Hij grijpt weer naar de penseel en doet in 1942 voor het eerst mee aan een tentoonstelling in Las Palmas. Boeren- en visserstafereeltjes domineren dan nog. Een stipendium brengt hem in 1945 alsnog waar hij graag heen wilde: de Academia de Bellas Artes de San Fernando, in Madrid.
Langzaam maakt het eilandleven op zijn doeken nu plaats voor een zoektocht naar een eigen, abstracte stijl, waarbij Picasso en Matisse als grote voorbeelden fungeren. In de jaren vijftig verwerft hij daarmee de nodige naamsbekendheid; hij hangt zowel in 1955 als 1960 op de biennale van Venetië. Hij krijgt in die periode ook opdrachten voor omvangrijke wandschilderingen, zoals die op Barajas, het vliegveld bij Madrid. De kennis die hij daarbij opdoet van het integreren van schilderkunst in architectuur zal hem bij zijn latere projecten op Lanzarote nog goed van pas komen. In 1964 trekt hij naar New York. Hij was het jaar daarvoor zijn beminde vrouw Pepi verloren en zocht nu naar nieuwe uitdagingen in de kunst in een onbekende omgeving. In de Verenigde Staten zal hij voor het eerst collages en installaties maken.
Hoewel Manrique dus intussen al ruim twee decennia niet meer op zijn geboortegrond verbleef, was hij het contact nooit verloren. Integendeel. Niet alleen onderhield hij tijdens de vakanties zijn sociale contacten, maar hij maakte bijvoorbeeld ook een mooie wandschildering voor de (voormalige) parador in Arrecife: Alegoría de la isla. De toekomst van het eiland verontruste hem echter enigszins. Hij zag beter dan wie dan ook dat Lanzarote zich in de tweede helft van de jaren zestig op een kritiek punt bevond. Wilde de bevolking de armoede definitief ontworstelen, dan was het ontwikkelen van het toerisme een buitengewoon aantrekkelijke optie. Maar ook een gevaarlijke. Al in 1965 zei hij:
Siento un poco de miedo ante la avalancha turística que se avecina a Lanzarote (ik ben een beetje bang voor de toeristische stormloop naar Lanzarote).
Hij besloot daarom terug te keren naar Lanzarote en zijn steentje bij te dragen aan het in de hand houden van die toeristische ontwikkeling. Hij streefde ernaar, bij iedere instantie die hem maar wilde ontvangen, de landschappelijke en natuurlijke waarden niet uit het oog te verliezen. En hij was succesvol. Met een tomeloze energie en heel wat doorzettingsvermogen lukte het hem tal van plannen uit te voeren, waarbij opvalt hoe hij zijn architectuur op een vanzelfsprekende manier laat aansluiten bij de natuurlijke (lava)vormen. Constateer het zelf bij creaties als Mirador del Río, Jardín de Cactus of Jameos del Agua. Voor Manrique was het een kroon op zijn werk toen zijn huis in Taro de Tahíche in 1992 als museum werd geopend: de Fundación César Manrique. Hij heeft er niet alleen niet lang van kunnen genieten: in hetzelfde jaar kwam hij door een tragisch verkeersongeluk om het leven.
Internet:
César Manrique - officiële website